Afbeelding

Bloembollenschuren en kantoorgebouw van de Gebroeders Van Zanten krijgen monumentenstatus

Algemeen

“Ik vind het nog steeds erg lastig dat derden kunnen verzoeken om een monumentenstatus op een pand te krijgen, waardoor de eigenaar overgeleverd is aan de grillen van de gemeenteraad.’’ Igor Buick (VVD) sprak tijdens de raadscommissievergadering in Hillegom zijn frustratie uit over de procesgang voor het aanwijzen van een pand tot gemeentelijk monument. In dit geval de bloembollenschuren met het kantoorgebouw van de Gebroeders Van Zanten aan de 1e Loosterweg in Hillegom. Zijn opmerking schoot Robbert Janssen (Bloeiend Hillegom) enigszins in het verkeerde keelgat: “Ik denk dat met de objectiviteit met de normeringen die grillen nogal meevallen.’’

Door Frits Homan

Buijck doelde naar alle waarschijnlijkheid op de brief van het Cultuur Historisch Genootschap Duin- en Bollenstreek (CHG) aan het college, waarin wordt verzocht om de gebouwen van de genoemde bollenschuur aan te wijzen als gemeentelijk monument. En de steunbetuiging die daarop volgde van Erfgoedvereniging Heemschut in de vorm van een adhesieverklaring. Buijck moet ongetwijfeld geweten hebben van het ‘Beleidskader Gemeentelijke Monumenten Hillegom 2026’ dat in februari door de gemeenteraad is vastgesteld. Zijn eigen partij, de VVD, stemde hier destijds ook voor. In het beleidskader zijn grenswaarden opgenomen. En hiermee kan worden getoetst of een object cultuurhistorische waarde heeft om een aanwijzing te krijgen tot gemeentelijk monument. 

Al in 2024 heeft de gemeente de opdracht gegeven alle 105 historische objecten in de gemeente te waarderen als ‘kansrijke monumenten’. Hier is toen een score van 15 punten voor de panden van De gebroeders van Zanten uitgekomen, voldoende voor de waardering tot ‘kansrijk monument’. Afgelopen maart heeft het onafhankelijke bureau voor bouwhistorisch onderzoek MoNed eveneens dezelfde score vastgesteld. In mei heeft het GACO (Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit) positief gereageerd op het aanwijzingsbesluit. Het pand wordt inmiddels niet meer gebruikt als bollenbedrijf.

De eigenaar heeft begrip dat de gemeente waarde hecht aan het behoud van cultuurhistorisch erfgoed, maar schrijft in haar zienswijze dat een toewijzing tot een gemeentelijk monument niet alleen beperkingen oplegt aan toekomstige aanpassingen van een pand, maar ook een concrete instandhoudingsplicht en daarmee samenhangende financiële verplichtingen. Omdat het in dit geval niet om een woonhuisfunctie gaat, komt het pand niet in aanmerking voor de ‘Subsidieverordening gemeentelijke monumenten Hillegom’. De eigenaar vindt dit “een onevenwichtige situatie wanneer enerzijds vanuit het publieke belang vergaande eisen aan behoud en instandhouding worden gesteld, terwijl anderzijds de volledige financiële verantwoordelijkheid daarvoor bij de eigenaar wordt gelegd en de huidige gebruiksmogelijkheden van het object beperkt blijven”. De eigenaar is dan ook van mening dat “behoud van monumentaal vastgoed het meest kansrijk is wanneer aan het gebouw tevens een reëel toekomstperspectief wordt geboden”. Zij denkt daarbij aan woonfuncties, kantoorfuncties of een combinatie hiervan. De eigenaar verzoekt het college dan ook om een “positieve bestuurlijke grondhouding”. Het college vindt dat het de eigenaar vrij staat om concrete initiatieven of plannen met de gemeente te bespreken of voor te leggen door middel van een principeverzoek.

Uit de krant